Ingeklemd tussen Google en AliExpress

Ingeklemd tussen Google en AliExpress

Blog - We zijn allemaal ontzettend bezig met digitale geletterdheid, ICT-vaardigheden, mediawijsheid, hulp bij de e-overheid, robotisering van de samenleving en nepnieuws. Maar waarom zijn deze thema’s belangrijk en waar moet de bibliotheek rekening mee houden bij het opereren in een steeds digitaler wordende wereld?

Om de onpartijdige, onafhankelijke en objectieve rol van de bibliotheek goed uit te oefenen, is het belangrijk dat de bibliotheek goed begrip heeft van de digitale wereld. Met deze kennis stellen we bibliotheekbezoekers nog beter in staat om zichzelf staande te houden in die digitale wereld.

José van Dijck, hoogleraar media en digitale samenleving aan de Universiteit Utrecht, deed onderzoek naar dit onderwerp en heeft de resultaten vastgelegd in het boek ‘De platformsamenleving’. Op 15 januari gaf ze tijdens ‘De Staat van het Internet’ bij de OBA daar een lezing over. Met haar verhaal gaf ze een mooi overzicht van de staat van onze digitale wereld anno nu en de ecosystemen die daar aan ten grondslag liggen. Een interessant verhaal (en boek!) dat zeker relevant is voor de bibliotheek.

De platformsamenleving

Wat is een ‘platformsamenleving’? Dit is een samenleving waarin het maatschappelijke, sociale en economische verkeer voor een groot deel via onlineplatformen loopt. Dus via Facebook, Whatsapp, Google Drive, Amazon, Snapchat, enzovoorts. Deze online platformen vormen samen een ecosysteem: “een ecosysteem van connectieve platformen” zoals Van Dijck dat noemt. De kenmerken van deze platformen zijn:

  • Ze verzamelen automatisch grote hoeveelheden data over gebruikers.
  • Via Application Programming Interfaces (API’s)[1] stellen de platformen deze data aan derden beschikbaar.
  • Ze verwerken gebruikersdata met behulp van algoritmes, die vervolgens worden ingezet om grote hoeveelheden content te filteren en te bepalen hoe gebruikers met content, diensten en reclame verbonden kunnen worden.
  • Ze vormen een economisch geheel die gericht diensten en reclame aan specifieke gebruikers koppelen.


[1] API is een set aan definities waarmee softwareprogramma’s onderling kunnen communiceren.

Bij de OBA begon Van Dijck haar verhaal met een uitspraak van Marleen Stikker, directeur Waag Society: “Het internet is stuk”. Wellicht een herkenbaar beeld voor velen, want sla de kranten er maar op na en de berichten over nepnieuws, internettrollen, datalekken en privacy-schending zijn schering en inslag. Maar hoe is dat zo gekomen? Dit legt Van Dijck uit door een beeld te schetsen van de geo-politieke verstandhoudingen op het internet en dat deze de afgelopen tien jaar geplatformiseerd en daarmee ook geprivatiseerd zijn. “Alle online diensten waar wij gebruik van maken worden geleverd via een digitale infrastructuur die georganiseerd is via platform-ecosystemen.”

In de geo-politiek op het internet onderscheidt van Dijck 3 modellen:

  1. Het Chinese model, waarbij de staat de bedrijven domineert. De staat bepaalt wat wel en niet mag en is eigenaar van alle data. De grote bedrijven hier zijn Baidu, Alibaba (AliExpress), Tencent, JD.com en Didi.
  2. Het Angelsaksische model, met als bekendste vertegenwoordiging The Big Five Alphabet: Google, Amazon, Facebook, Apple en Microsoft. In dit model is de macht in handen van de markt en is data eigendom van de bedrijven.
  3. Het Rijnlands model, waarbij de data eigendom van de burgers zelf is en er veel aandacht is voor onafhankelijke instituties en waarbij publieke diensten en sectoren belangrijk zijn. Dit model wordt in Europa gehanteerd.

Europa zit met het Rijnlandse model eigenlijk tussen de twee grote modellen ingeklemd, omdat wij niet beschikken over de infrastructuur die deze Amerikaanse en Chinese ecosystemen mogelijk maken. Het enige grote platformbedrijf dat in Europa gevestigd is, is Spotify in Stockholm. Maar ook dit bedrijf is voor 20% in handen van de Chinezen, en beursgenoteerd in Amerika. Van Dijck komt hiermee tot de conclusie dat Europa afhankelijk is van het Amerikaanse ecosysteem, omdat wij vooral gebruik maken van de platformen die daar zijn ontwikkeld.

Publieke waarden in een online wereld

Waarom is dit dan voor bibliotheken zo interessant? Omdat alle openbare diensten, en dus ook bibliotheken, te maken hebben met een gedeeltelijke verplaatsing van het sociale- en dienstenverkeer naar een (commerciële) online omgeving. In deze online omgeving worden de normen, waarden en wetten bepaald door Amerikaanse bedrijven. Zo zijn wij hier afhankelijk van platformen waar we niets over te zeggen hebben. En het is dus ontzettend lastig om onze eigen publieke waarden, zoals privacy, accuraatheid, transparantie en veiligheid, te verankeren in een online wereld die niet door ons bedacht is.

Mooie voorbeelden hiervan liggen voor het oprapen. Bijvoorbeeld de Tegenlicht uitzending ‘Klik- en Kluseconomie’ van vorige jaar november. Online platformen als Uber en Deliveroo hebben een hele andere kijk op de arbeidsmarkt en het aanbieden van werk, wat terug is te zien in de opzet en werking. In deze platformen zijn duidelijk de marktwaarden van het Angelsaksisch model terug te vinden die bijna haaks staan op de publieke waarden die wij belangrijk vinden. Hiermee “knagen ze aan ons poldermodel en onze verzorgingsstaat.”

Een ander voorbeeld is de tentoonstelling ‘Naakt of bloot’ in het Museum Jan Cunen. Facebook en Instagram weigerde berichten met afbeeldingen van deze tentoonstelling, omdat deze een ‘te suggestieve inhoud zou hebben’. De museumdirecteur geeft als reactie hier op dat ze “het gevoel heeft dat mensen preutser worden.” Want dat zou een logische conclusie zijn op basis van deze reactie van Facebook en Instagram.

Maar klopt het dat mensen preutser worden? En dan met name in Nederland? We leven in een samenleving waar redelijk liberaal wordt omgegaan met bloot in de media in tegenstelling tot landen als Amerika en China. Gaat het hier niet eigenlijk om de Amerikaanse opvattingen met betrekking tot bloot? En dat die door middel van dit soort acties van Facebook en Instagram van invloed zijn op onze Europese opvattingen over dit onderwerp? Gelukkig wordt er vanuit Facebook wel actie ondernomen om dit soort situaties de wereld uit te helpen. Met als gevolg dat bijvoorbeeld schilderijen uit het Rijksmuseum Twente, waar bloot op te zien is, nu wel op Facebook geplaatst mogen worden. Maar het feit dat dit gebeurt geeft aan dat het Amerikaanse ecosysteem zeker van invloed is op onze Europese waarden.

Wat dichter bij huis zijn de samenwerkingsverbanden die de KB met o.a. Google is aangegaan. Onder andere het digitaliseringsproject waarbij rechtenvrije boeken uit de collectie van de KB door Google worden gescand om vervolgens beschikbaar te worden gemaakt in Google Books. Maar ook de recentelijk de ‘Alliantie Nederland Digivaardig’ waarbij publieke en private organisaties (Google, Ziggo, Samsung, ING, Caiway) "gezamenlijk willen bijdragen aan een inclusieve digitale samenleving".

In het licht van het verhaal van Jose van Dijck zouden we daarom grote vragentekens moeten zetten bij zulke samenwerkingsverbanden. Want hoe onpartijdig en objectief ben je nog als bibliotheek als je allianties aangaat met een partij zoals Google?

Reacties (0)

Reageren