De Maatschappelijke Bibliotheek spreekt met... Sylvia de Groot Heupner

De Maatschappelijke Bibliotheek spreekt met... Sylvia de Groot Heupner

“Wees trotser op de anderstaligen die je als bibliotheek binnen weet te halen!”

Het landelijk netwerk voor taalcoaching, Het Begint met Taal, bestaat tien jaar. Directeur Sylvia de Groot Heupner breekt in haar rol een lans voor het durven maken van keuzes en maakt zich hard voor het beschikbaar stellen van meer middelen voor het aanstellen van professionele taalcoördinatoren. “Ik pleit voor een betaalde vrijwilligerscoördinator: die is onmisbaar.”

Begin vorig jaar is het tienjarig bestaan van Het Begint met Taal grootschalig gevierd, met als speciale gast niemand minder dan Koningin Máxima. Als je terugkijkt op een decennium Het Begint met Taal, waar ben je dan het meest trots op?

“Terugkijkend vind ik het vooral heel bijzonder dat datgene wat er tien jaar geleden vanuit het veld is bedacht nog steeds de basis is van de huidige organisatie. In 2008 is Het Begint met Taal geïnitieerd door vier taalvrijwilligersorganisaties: Taal aan Zee uit Den Haag, ABC uit Amsterdam, Taal doet meer uit Utrecht en het Rotterdamse LOV. Zij wilden taalcoaching landelijk bekender maken en professionaliseren en zagen dat als ze samen zouden optrekken, ze meer zouden kunnen bereiken. In 2014 zijn we met Gilde SamenSpraak Nederland gefuseerd, het landelijke integratieproject dat viel onder Gilde Nederland. Inmiddels zijn er honderdzestig lokale organisaties aangesloten met zo’n tweehonderdvijftig locaties, hebben we speciale taalcoachmaterialen ontwikkeld, zoals SpreekTaal, Taal in de Praktijk en Gezonde Taal, en verbeteren we met elkaar de kwaliteit van taalcoaching. Die enorme ontwikkeling als platform en de groeiende belangstelling van mensen om zich in te zetten hadden we tien jaar geleden niet kunnen voorzien.”

Wat is je in die tien jaar dat je je met het onderwerp taalcoaching bezighoudt, opgevallen?

“Dat het veld continu in beweging is, maar dat de basis al die tijd hetzelfde is gebleven: hele gemotiveerde, nieuwsgierige vrijwilligers en net zo gemotiveerde anderstaligen die heel blij zijn als ze de taal kunnen oefenen. En de bijzondere relaties die er ontstaan, mensen worden echt onderdeel van elkaars familie en vriendenkring. Dat gevoel van erbij mogen horen en er niet alleen voor staan, dat is echt zo belangrijk. Het belang van een goede coördinator, dat is ook ongewijzigd. Zonder die matchmakers, die de vrijwilligers en de taalleerders koppelen, lukt het niet. Een goede coördinator is echt een van de sleutels tot succes. Het is een enorm lastige en diffuse functie: je moet honderd ballen tegelijk in de lucht houden en iedere vrijwilliger en iedere taalleerder is anders.
Wie die coördinatorsrol vervult, en onder welke organisatie een coördinator valt, zie je periodiek wel veranderen. Het welzijnswerk was een tijdje heel actief, nu is een deel verschoven naar de bibliotheek. Daar zie je nu, dat heb ik vaker gezien bij andere organisaties, dat medewerkers in het begin heel veel in de uitvoering worden ingezet naast hun andere werk op meer strategisch niveau, dus dat zij ook intakes doen, koppelingen maken en vrijwilligers begeleiden. Uiteindelijk is dat niet vol te houden, er moet een laag tussen, een vrijwilligerscoördinator die de operationele taken overneemt zodat de andere medewerker weer meer strategisch kan gaan focussen. Ik wil pleiten voor een betaalde vrijwilligerscoördinator en voor de bijbehorende middelen om die aan te nemen, want je hebt beide functies hard nodig: iemand die strategisch opereert en een meer operationele medewerker in de rol van coördinator. Daar moeten we ons als branche echt hard voor maken.
De schaal is in tien jaar ook veranderd. Ik weet nog dat Koningin Máxima tijdens ons jubileum zei dat er destijds, toen het landelijke netwerk werd geïnitieerd, een paar duizend mensen werden bereikt. Nu bereiken we als platform wekelijks ruim 28.000 anderstaligen, met zo’n 15.000 vrijwilligers. Dat is te danken aan de energie die er bij al die lokale taalcoachorganisaties is, maar ook de bibliotheken hebben daar een aandeel in.”

Hoe kijk jij naar de relatief nieuwe rol van de bibliotheek in dit speelveld?

“Ik denk dat de bibliotheek altijd al heel belangrijk is geweest voor taalkoppels, ook toen de bibliotheek die rol nog niet zo expliciet had. De bibliotheek is een logische plek voor taalcoaching. Het is een hele mooie landelijke infrastructuur, er zijn weinig plekken die zo laagdrempelig en gemakkelijk te gebruiken zijn. Je ziet wel dat bibliotheken door het hele land verschillende rollen hebben: de ene bibliotheek is meer uitvoerend, de andere bibliotheek fungeert echt als doorverwijzer. Daar waar het naar mijn idee goed gaat, is waar er een hele goede samenwerking is tussen alle aanbieders die er zijn: van taalvrijwilligersorganisaties die taalmaatjes leveren, taalaanbieders die inhoudelijk en organisatorisch een rol spelen en de bibliotheek waar ontwikkeling en oefenen centraal staat.”

De rol van de bibliotheek is niet voor iedere samenwerkingspartner zo vanzelfsprekend.

“Daarom moet je altijd goed het doel definiëren dat je hebt met je activiteiten. Wat is de interventie die je wil plegen en wat hoop je daarmee te bereiken? Als je je richt op niveauverhoging, of iemand toe wil leiden naar een diploma, dan is het heel belangrijk dat iemand naar een formeel taaltraject met gecertificeerde NT2-docenten wordt doorverwezen. En ook voor het aanbod van vrijwilligers geldt: wat wil je bereiken als organisatie met het aanbod dat je biedt? Daar moet je continu kritisch op blijven. Wat voeg ik toe, in mijn gemeente en voor de doelgroep? Kijk heel goed naar welke organisaties er al zijn en zoek je eigen toegevoegde waarde. Op het moment dat er ook al een buurtinitiatief of welzijnsorganisatie is die fantastische hulp biedt, dan is het de vraag of je dat als bibliotheek ook moet gaan oppakken. Volgens mij zitten we niet in de luxepositie dat we elkaar in de weg hoeven te lopen: er staan genoeg anderstaligen te springen om een taalcoach, er zijn genoeg maatschappelijke uitdagingen. We moeten vooral heel goed weten wie wat doet en wie waar goed in is. En daar zelf heel kritisch op blijven.”

Hoe kijk je in dit licht aan tegen de ontwikkelingen bij Stichting Lezen & Schrijven? Opgericht om de laagtaalvaardige Nederlandstaligen te bereiken, zie je dat zij toch wel de focus meer gaan leggen op anderstaligen.

“Het is belangrijk om in dit werkveld te kijken naar waar je zelf goed in bent. In ons geval is dat taalcoaching aan anderstaligen versterken en overal bereikbaar maken. De groep anderstaligen die we met taalcoaching bereiken is heel divers: vluchtelingen, asielzoekers, arbeidsmigranten, anderstaligen die geïsoleerd leven. Een deel van hen is laaggeletterd, zij kunnen wel een beetje lezen en schrijven in hun moedertaal, maar beheersen deze vaardigheden onvoldoende om zelfredzaam te zijn in de samenleving. De groep NT1’ers waar Lezen & Schrijven zich van oorsprong op richt is ontzettend groot en moeilijk te bereiken, dus ook voor hen is er veel werk te verzetten. Stichting Lezen & Schrijven bereikt veel als het gaat over het agenderen van laaggeletterdheid, dankzij een prinses als ambassadeur én bekende Nederlanders. Dat betekent dat er meer aandacht voor is en dat laaggeletterdheid in veel lokale politieke programma’s is opgenomen. Volwasseneneducatie en integratie zijn onderwerpen waar over het algemeen weinig geld voor beschikbaar is. Daarom zijn de samenwerkingsverbanden met tal van partners, zoals taalaanbieders, VoorleesExpress, Oefenen.nl, Vluchtelingenwerk, bibliotheken en Lezen & Schrijven zo belangrijk. Door die beperkte middelen moeten we de krachten en expertise bundelen.  
We zijn met een klein team en moeten heel kritisch met onze tijd en middelen omgaan. Dat geldt voor de lokale taalcoachorganisaties uit ons platform ook, vaak werken ze echt met minimale budgetten en een gigantische groep vrijwilligers. Voor die relatief kleine budgetten moeten ze elk jaar vaak enorm hun best doen elk jaar om dat te krijgen. Als je ziet hoeveel anderstaligen ze jaarlijks bereiken en vrijwilligers ze mobiliseren dan is dat echt ontzettend bewonderingswaardig! Ik vind dat we daar veel meer waardering voor moeten hebben. En middelen, want het goed organiseren van taalcoaching vraagt om aandacht, trainingen en goed taalcoachmateriaal. Vrijwilligerswerk is nooit gratis.”

Het meten van het effect van het informele en non-formele aanbod van de bibliotheek is wel heel lastig.

“Ik vind dat eigenlijk wel meevallen. Je kunt het goed meten, maar wel op een kwalitatieve manier. Gebruik bijvoorbeeld can do statements, denk vanuit leerdoelen. Je aanmelden bij een sportclub kan een doel zijn. Daar kun je op oefenen en achteraf kun je goed kijken of dat ook echt is gelukt. In onze Tool voor Taalcoaching is dergelijke voortgang vast te leggen, dat is echt niet zo arbeidsintensief. Vrijwilligers en anderstaligen kunnen in dit systeem zelf aangeven hoe zij het traject ervaren en wat ze ervan hebben geleerd. Daar kun je enorm veel informatie uithalen. Ook is het een handige manier om als coördinator je trajecten bij te houden. Maar ook als je niet met onze tool werkt, dan kun je ook aan het einde van het jaar, of twee keer per jaar, mensen kort bevragen over wat de coaching of een traject hen heeft opgeleverd. En vraag ook de vrijwilliger naar zijn ervaringen. Een mooi verhaal zegt vaak zoveel. Dat bleek ook de vele reacties op onze campagne ‘Wil jij met mij in gesprek’, dat sprak mensen echt aan. Vooral door zelf een gesprek te ervaren in de PopUp-winkel. Met een fotootje erbij heb je zo een mooi verhaal. Je kunt wel doorvragen op inhoud en of het niveau van taalspreken is verhoogd, maar dat kun je zelf ook wel halen uit een goed verhaal over bijvoorbeeld de bijzondere band tussen een taalvrijwilliger en een taalleerder.”

Heb je nog meer tips voor de bibliotheek?

“Wees trotser op de anderstaligen die je binnen weet te halen! Ik kom regelmatig in de bibliotheek en ik zie er heel veel nieuwkomers: aan het oefenen, in het taalcafé of met hun kinderen. Er zijn taalcafés die bijna uit hun voegen barsten. Dat is zulk positief nieuws! Maar toch hoor ik vooral dat het niet lukt om bepaalde groepen te bereiken. Dat kan wel zo zijn, maar kijk naar wat wel lukt! En focus daarop, draag dat uit!
De bibliotheek zegt er nu voor iedereen te zijn, daar komt misschien ook de focus op groepen die minder goed bereikt worden vandaan. Het is een heel mooi uitgangspunt, maar in de marketing geldt: iedereen is niemand. Als je zegt dat je er voor iedereen bent, dan is dat eigenlijk heel onduidelijk. Voor wie dan en wat bied je dan aan? Positioneer het taalcafé heel specifiek. En voor iedereen die niet binnen die doelgroep past, kun je dan ander aanbod ontwikkelen, of je kunt hen doorverwijzen naar andere organisaties. Afbakenen en keuzes maken is moeilijk, maar als je jezelf ook de ruimte geeft om terug te komen op je keuze en te erkennen dat het niet erg is als dingen niet lukken, dan kun je ook bijsturen.
Daarnaast zijn er qua vrijwilligersmanagement ook nog wel stappen mogelijk: professionalisering, het slimmer organiseren van taalcoaching. Hoe kun je het zo organiseren dat er nog meer mensen bereikt kunnen worden, de kwaliteit verbeterd, of er een gedifferentieerder aanbod ontstaat. Nu zie je toch nog wel vaak één soort aanbod waaraan iedereen deelneemt, terwijl de individuele behoefte van de taalleerder net iets anders kan liggen.”

De huidige integratiewet heb je “een draak” genoemd. Hoe zou voor jou een ideaaltraject eruitzien voor een nieuwkomer?

“De regie ligt nu heel erg bij de inburgeraar zelf. Die komt in een land waarvan hij de taal nog niet spreekt en niet precies weet wat er verwacht wordt. Het huidige stelsel is heel ingewikkeld, er is marktwerking. De plannen die Wouter Koolmees afgelopen zomer presenteerde zijn positief: de gemeenten krijgen regie en er komt ruimte voor maatwerk. Dat is erg belangrijk: iedere nieuwkomer komt op een verschillend moment in zijn of haar leven binnen, ze hebben allemaal verschillende dingen meegemaakt en verschillen plannen en capaciteiten voor de toekomst. Het is belangrijk om daar heel goed naar te kijken. Je kunt niet één traject verzinnen dat voor iedereen gelijk is. Ik hoop dat er ook ruimte in de wet komt om taalcoaching door vrijwilligers – als bewezen effectieve vorm voor non-formele educatie – op te nemen in de inburgeringswet, met de daarbij horende financiële voorzieningen. Je leert de taal het snelst als je goed onderwijs krijgt van een docent en veel oefent in de praktijk, De Ethiopische Beza die meedeed in onze campagne wil hier bijvoorbeeld een opleiding in de zorg volgen en oefent met haar taalcoach woorden die daarbij passen. Mohanad uit Syrië wil modeontwerper worden en is op zoek naar een opleiding en werkplek die daarbij past. Hij staat te springen om zijn netwerk uit te breiden met mensen die werkzaam zijn in de modescene. En zo zijn er nog tal van mensen met een eigen droom om er hier iets van te maken. Voor iedereen geldt dat maatwerk hierin belangrijk is.

Wat zijn je wensen voor de komende tien jaar?

“Wat ik heel erg hoop, is dat we als samenleving ons nog meer gaan realiseren hoe moeilijk het is om als nieuwkomer je weg hier te vinden en dat integratie echt een wederkerig proces is. Je kunt de taal niet leren als je nooit met iemand Nederlands kunt praten. Ik hoop dat we daar met z’n allen vol achter gaan staan en dat dat leidt tot concrete acties. Taalcoaching is een mooi voorbeeld, maar nieuwkomers hebben ook werkgevers, vrijwilligerswerk, onderwijsinstellingen en de samenleving als geheel nodig. Het begint echt bij het besef dat het niet vanzelf gaat, dat je er als samenleving er ook tijd en energie in moet steken.”

De Maatschappelijk Bibliotheek spreekt met… is een rubriek waarin we spreken met partners uit het maatschappelijke domein of collega’s die zich bezighouden met kwetsbare burgers. Niet alleen bibliotheken, maar iedereen die zich, al dan niet samen met de bibliotheek, inzet voor een maatschappij waarin iedereen kan meedoen.

Lees meer interviews van De Maatschappelijke Bibliotheek.

Foto: Menno Mulder

Reacties (0)

Reageren

Meer blogposts van Anne-Marie van der Poel