Ontwikkelingen rondom de monitoring van volwasseneneducatie

Monitoring van de volwasseneneducatie door bibliotheken geeft inzicht in de effecten en de impact van het aanbod basisvaardigheden. Zowel in de landelijke als in de lokale monitoring zijn er allerlei veranderingen aan de gang. Waar is een gemeente toe verplicht, wat is Qwasp en wat monitort de bibliotheek? Het is een greep uit de vragen die spelen bij specialisten basisvaardigheden en directeuren. Adviseur Basisvaardigheden Ellie van der Meer zet de ontwikkelingen op een rij.

16 juni 2021

Om de ontwikkelingen te begrijpen is het handig om nog even terug te gaan naar 2014, toen het onderwijs aan volwassenen voor meer aanbieders toegankelijk werd.

Veranderingen landelijk beleid volwasseneneducatie

In 2014 is de volwasseneneducatie (onderwijs aan volwassenen) op de schop gegaan. Deze vorm van educatie wordt niet langer uitsluitend gegeven door het ROC. Het beleid is er vanaf 2014 op gericht om in de loop van een aantal jaar toe te werken naar educatie-aanbod, waarin naast het aanbod van de ROC’s ook plaats is voor non-formeel en formeel aanbod van andere (kleinere, lokale) organisaties. Dit te voeren beleid is beschreven in de handreiking 'De Transitie van Educatie naar het Sociaal Domein' van de VNG. Gemeenten vinden in deze handreiking informatie over aanbesteding, inkoop, kwaliteit en monitoring. Voor bibliotheken betekende dit dat zij vanaf dat moment met de gemeenten in gesprek kunnen gaan en zich voortaan als aanbieder van non-formeel aanbod konden laten gelden. De informatie voor gemeenten over te voeren kwaliteit en monitoring was beperkt.

Inmiddels zijn we zeven jaar verder. De uitvoering van het beleid zoals in 2014 geformuleerd is gerealiseerd. Gemeenten zijn met ingang van 2020 verantwoordelijk voor de volwasseneneducatie. Het landelijk beleid, het Tel mee met Taal-programma 2020-2024, geeft verdere invulling aan de kwaliteit, borging en monitoring van volwasseneneducatie. In deze periode gaat er meer gestuurd worden op het gebied van kwaliteit en kwantiteit.

Landelijke output monitor voor non-formeel aanbod

De Inspectie van het Onderwijs ziet toe op de kwaliteit van formele educatietrajecten van de taalaanbieders; dit betreft ook de formele trajecten binnen de WEB. Voor non-formele trajecten van de non-formele aanbieders komt er geen verplicht landelijk kwaliteitslabel. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van non-formele educatietrajecten en maken zelf keuzes over hun kwaliteitsbeleid.

Er komt geen verplicht landelijk keurmerk, omdat gemeenten binnen de volwasseneneducatie te maken hebben met verschillende aanbieders, een divers aanbod en een gemêleerde doelgroep. Hier past niet één verplicht kwaliteitslabel voor non-formele volwasseneneducatie bij. Daar komt bij dat een te zwaar kwaliteitsregime met name (kleinere) aanbieders afschrikt die werken met vrijwilligers. Partijen die juist cruciaal zijn voor de verbinding met het bredere sociaal domein.

Wat er wel komt, is een Landelijke output monitor voor een effectieve aanpak van laaggeletterdheid. Deze monitor moet de landelijke politiek inzicht geven in de resultaten van de aanpak van laaggeletterdheid én gemeenten helpen een betere regiefunctie te krijgen en te houden. De monitor meet het aantal deelnemers, geslacht, leeftijd, NT1/2, postcode/gemeente en type cursus/aanbod. De set te leveren gegevens wordt beperkt om de administratieve lasten te beperken. Het rijk, CBS en gemeenten werken samen aan een landelijke output monitor om dit in kaart te brengen. De verwachting is dat deze in 2022 wordt ingevoerd door het CBS.

  • De gemeenten zijn verplicht om deze monitor in te vullen.
  • Het CBS vraagt voor deze landelijke monitor geen persoonsgegevens.
  • Gemeenten mogen zelf kiezen of zijzelf of aanbieders gegevens laten aanleveren bij het CBS. Daarmee wordt zoveel mogelijk recht gedaan aan lokale en regionale verschillen. Gemeenten kunnen dit dus aan hun partners opleggen.
  • Gemeenten hebben naast de verplichte landelijke registratie de vrijheid om te kiezen of zepersoonsgegevens van deelnemers registreren (AVG-proof) en of ze  de outcome van educatietrajecten (sociale inclusie, participatie, niveauverhoging) willen weten. En welk systeem ze daarvoor willen gebruiken.

Gemeentelijke monitoring op output en outcome

Voor het Rijk zijn gemeenten alleen verplicht om kwantitatieve gegevens aan te leveren. De gemeenten bepalen zoals hierboven gezegd zelf of ze breder willen monitoren op bijvoorbeeld outcome. Ook zijn gemeenten zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van non-formele educatietrajecten. Met elkaar en/of afzonderlijk kijken de gemeenten van een arbeidsmarktregio naar de kwaliteit die ze willen leveren bij het inkopen van bepaalde trajecten. En naar afspraken bij subsidietrajecten, de monitoring die ze willen doen en welke gegevens zij wel of niet noodzakelijk vinden.

De vraag is hoe de gemeente meer zicht en grip krijgt op kwaliteit. En hoe zij samen met aanbieders van volwasseneneducatie daarover het gesprek kan voeren. VNG en Divosa gaan gemeenten hiermee helpen en laten hiervoor een ‘Handreiking breed kwaliteitsbeleid laaggeletterdheid’ ontwikkelen door Berenschot/ITTA. Deze handreiking is dus als het ware een vervolg op de handreiking uit 2014.

Qwasp

Omdat er geen landelijke verplichtingen voor outcome bestaat en dit wel relevant is voor gemeenten, biedt Maurice de Greef de ‘Qwasp monitor volwasseneneducatie’ aan. Qwasp is uitsluitend bestemd voor gemeenten. Gemeenten kunnen met gebruik van Qwasp aan hun partners vragen om bepaalde impactgegevens te leveren. Binnen deze monitor is er de mogelijkheid om het aantal vragen aan te passen aan de grootte van een traject. Weinig vragen als het gaat om bijvoorbeeld een Leesclub voor laaggeletterden die 6 keer bij elkaar komt; meer vragen voor grote taaltrajecten van het ROC.

Landelijk wordt Qwasp gezien als belangrijk voor de volwasseneneducatie. Als er veel gemeenten aan meedoen levert het kwalitatief inzicht in de volwasseneneducatie. Belangrijk voor het landelijk beleid, het bereiken en monitoren van de doelstelling minder laaggeletterden.

De KB: landelijke monitoring voor bibliotheken

Voor het verzamelen van de kwantitatieve gegevens van het IDO heeft de KB een ouput registratietool ontwikkeld, dat vanaf juli 2021 landelijk in gebruik wordt genomen. De output op aantallen en het type gestelde vragen wordt hiermee gemeten. Voor de langere termijn heeft de KB de ambitie dit door te ontwikkelen als output-tool voor al het taal- en digiaanbod.

De Impactmonitor van de KB bevat verschillende modules die bibliotheken kunnen inzetten bij het meten van de effecten van cursussen en taalactiviteiten in de bibliotheek. De modules computer & internet, social media en e-overheid bestaan uit een voor- en een nameting. Bij de module taal wordt alleen gebruik gemaakt van een (korte) nameting. 

De bibliotheek en het meten van inhoud en kwaliteit

Voor de bibliotheek en het taalnetwerk is het belangrijk om in de lokale samenwerking te praten over inhoud en kwaliteit. Samen maak je afspraken over wat je wil bereiken en wat de kwaliteit is die je hierbij wil leveren. Dit maakt de bibliotheek/het Taalhuis inzichtelijk via de monitoring die ze doet en het systeem dat daarbij ondersteunend is. In de keuze hoe wordt gemonitord is de bibliotheek/Het Taalhuis vrij (al zal het op de output moeten aansluiten bij de afspraken die met de gemeente zijn gemaakt, zie hierboven).

De bibliotheek besluit zelf waar het monitorsysteem dat zij gebruikt wel of niet aan moet voldoen. Zaken die, naast de verplichte output voor het CBS, geregistreerd kunnen worden:

  • Deelnemers registratie
  • Taal/digi-vrijwilligers registratie
  • Koppeling van vrijwilliger en deelnemer aan traject
  • Intakegesprek
  • Voortgang en monitoring van trajecten
  • Alle thema’s taal NT1 en NT2, inburgering, digitaal.

Tot 2020 beschikten de Taalhuizen over Match voor het Leven, het monitorsysteem van Lezen & Schrijven.Sindsdien wordt Match voor het Leven niet meer aangeboden. Dit had te maken met de veranderde rol van L&S: niet L&S maar de gemeente is immers vanaf 2020 verantwoordelijk.

De meestgebruikte monitorsystemen bij bibliotheken zijn:

  • Fenna – Systeem dat al door bibliotheken gebruikt werd voor registratie van vrijwilligers en dat met een Taalhuis module is uitgebreid.
  • Match – Het Begint met Taal heeft in 2021 een vernieuwde versie ontwikkeld voor de aangesloten taalcoachorganisaties
  • MS Excel in combinatie met de KB-Impactmonitor of een eigen monitor.

De KB, Het Begint met Taal en Qwasp hebben afgesproken om bij alle ontwikkelingen met elkaar samen te werken om dubbel werk te voorkomen. Daarnaast werken ze aan een document met een overzicht van hun landelijke systemen zodat de gebruikers beter kunnen vergelijken.

Vragen?

Neem contact op met adviseur Basisvaardigheden Ellie van der Meer.