Voor iedereen en toch niet vanzelf: de bibliotheek als publieke plek onderzocht
Wat gebeurt er als de bibliotheek steeds meer een plek wordt voor ontmoeting, ondersteuning en gemeenschap? Het onderzoeksproject Infrastructuring Libraries in Transformation (ILIT) onderzoekt hoe bibliotheken in Rotterdam, Malmö en Wenen die verschuiving vormgeven. Voor dit interview sprak ik met Jamea Kofi (PhD-onderzoeker binnen ILIT) en Noor Kuijpers (adviseur programmering bij Probiblio en PhD-onderzoeker aan de Radboud Universiteit) over community librarians, onzichtbaar werk in de praktijk en de invloed van beleid en financiering.
Jamea, hoe kwam jij als antropoloog bij bibliotheken terecht?
Jamea: “Bibliotheken spraken me aan: zo’n vanzelfsprekende, laagdrempelige openbare ruimte. Idealiter is het een weerspiegeling van de samenleving en misschien wel ‘last man standing’ als openbare plek.”
Wat was de aanleiding voor het ILIT-onderzoek?
Jamea: “Het voorstel is geschreven door universitair hoofddocent Rianne van Melik. Zij zag, in haar werk als vrijwilliger bij de bibliotheek, de bibliotheek veranderen van ‘boekenbieb’ naar ‘mensenbieb’. En precies in die transformatie is een spanningsveld ontstaan: er komen steeds meer verwachtingen bij – van buitenaf, maar ook vanuit de bibliotheek zelf – terwijl er tegelijk jarenlang bezuinigingsdruk was. Toen kwam corona en dat was de start van dit onderzoek. Bibliotheken kregen er nóg meer zorgtaken bij. Daarna kwam er meer erkenning en financiering, ook vanuit andere ministeries. Sommige mensen noemden dat een hersteloperatie: geld dat ooit is weggenomen, kwam terug. Wij waren benieuwd waarom dit allemaal zo was.”
Wat onderzochten jullie precies binnen ILIT?
Jamea: “Binnen ILIT werken we met 3 onderzoeksgebieden:
- Community librarianship: wat doen medewerkers in het dagelijks werk voor en met de gemeenschap?
- Institutionele ondersteuning: beleid, financiering, verantwoording; hoe kijken beleidsmakers naar de rol van de bibliotheek?
- Lokale betrokkenheid: wat heeft de gemeenschap aan de bibliotheek, wie komt wel/niet, en is het ‘hun plek’?”
Wat zijn de belangrijkste conclusies uit het onderzoek?
Jamea: “De resultaten kun je eigenlijk in een paar grote lijnen samenvatten. We maakten zichtbaar welk ‘onzichtbaar werk’ bibliotheken draaiende houdt als sociale infrastructuur (een plek die een verschil kan maken). Als bibliotheken meer doen rond ontmoeting, ondersteuning en gemeenschap, verschuift het werk van medewerkers ook. Van relaties opbouwen in de wijk, mensen wegwijs maken tot spanningen in de publieke ruimte aanvoelen, grenzen bewaken en zorgen dat iedereen zich welkom voelt.
Ook zagen we spanningen tussen korte- en langetermijn-financiering: projecten draaien goed, maar jaarlijks opnieuw subsidie aanvragen kost veel tijd en energie.
Als je alles bij elkaar neemt, is de kern: bibliotheken kunnen veel betekenen als sociale infrastructuur, maar dat vraagt om tijd, continuïteit, samenwerking en een realistische kijk op wat het werk inhoudt – óók aan de beleids- en financieringskant.”
PhD-onderzoeker bij de Radboud Universiteit
Wie is Jamea Kofi?
Jamea Kofi is antropoloog en werkt als PhD-onderzoeker bij de afdeling Geografie, Planologie en Milieu van de Radboud Universiteit. In haar onderzoek kijkt ze naar openbare bibliotheken als sociale infrastructuur en naar de rol die zij spelen in de stad, onder meer in Rotterdam. Haar expertise ligt op thema’s als inclusie en uitsluiting, identiteit, migratie, stedelijke ongelijkheid en placemaking, waarbij ze etnografisch veldwerk combineert met creatieve onderzoeksmethoden.
In het onderzoek is gekeken naar Bibliotheek Rotterdam en het bibliotheeknetwerk van Malmö (Zweden) en Wenen (Oostenrijk). Vanwaar deze internationale aanpak?
Jamea: “Het is deels willekeurig gegaan: onderzoekers uit ons team spraken elkaar op conferenties en besloten voor deze aanpak. Maar inhoudelijk is het interessant omdat die landen op sommige punten op elkaar lijken (verzorgingsstaat-tradities) én sterk verschillen in hoe het bibliotheeklandschap is georganiseerd. In Zweden is het bibliotheekbeleid bijvoorbeeld veel gestructureerder; in Oostenrijk erg versnipperd. Nederland zit daar een beetje tussenin. Dat maakt vergelijken waardevol.”
En waarom juist Bibliotheek Rotterdam?
Jamea: “Er speelde veel bij de Centrale: ontwikkelingen, plannen, verandering op de agenda. Dat maakt het een interessante casus. En de bibliotheek stond er ook voor open; er was echt bereidheid om ons te verwelkomen.”
In het onderzoeken kijken jullie naar de bibliotheek als sociale infrastructuur, een plek die een verschil kan maken. Maar dat gaat natuurlijk niet vanzelf. Wat heeft de bibliotheek echt nodig?
Jamea: “Eén ding dat me opviel: bibliotheken doen community werk voor de stad, maar hoe zit het met de community van medewerkers zelf? In Rotterdam vertelden medewerkers dat ze soms op eilandjes werken, terwijl ze juist meer willen samenwerken en niet steeds het wiel opnieuw willen uitvinden.
En daarnaast is nodig: goede manieren om impact te laten zien. Veel bibliotheken werken met KPI’s, maar laten die KPI’s echt de waarde zien? Etnografisch onderzoek kan helpen om de waarde zichtbaar te maken via verhalen: wat gebeurt er nou écht in de bibliotheek?”
Jullie doen naar aanleiding van het onderzoek wat aanbevelingen. Wat zijn deze en zijn deze nog relevant in het snel veranderende bibliotheeklandschap?
Jamea: “De eerste policy brief, het document waarin we de aanbevelingen doen, schreven we in 2023. We geven daarin 3 aandachtspunten: 1. Balans tussen beleid en oog houden voor wat er lokaal nodig is. 2. Langetermijnperspectief, geldstromen moeten gestructureerd worden. 3. Blijf kijken naar jouw doelgroep. En ja: als je leest dat we schreven over ‘meer tijd en middelen’, dan is er inmiddels veel gebeurd. Tegelijk blijft de kern vaak geldig: medewerkers hebben tijd, middelen en rugdekking nodig om die sociale rol waar te maken. En met ontwikkelingen zoals de vernieuwing van wetgeving en zorgplicht zie je dat onze aanbevelingen inhoudelijk nog steeds aansluiten.”
Adviseur Programmering bij Probiblio
Wie is Noor Kuijpers?
Noor werkt als adviseur Programmering bij Probiblio. Over haar PhD-onderzoek aan de Radboud University zegt ze dit: “In mijn onderzoek richt ik mij op Nederlandse openbare bibliotheken als maatschappelijke instellingen waarvan het beleid, de praktijken en de plek niet alleen worden gevormd door professionele normen en bestuursstructuren, maar ook actief worden beïnvloed door maatschappelijke betrokkenheid van lokale bewoners en gemeenschappen. Een thema dat mij na aan het hart ligt.”
Noor, jij bent net gestart met je PhD-onderzoek. Waar gaat dat over?
Noor: “Het gaat over de bibliotheek als een plek waar bezoekers een indruk kunnen maken en een afdruk kunnen achterlaten – zoals dat kinderspeelgoed waar je je hand in duwt en aan de andere kant een afdruk ontstaat. In het (herziene) UNESCO/IFLA-manifest uit 2022 wordt de bibliotheek omschreven als platform waar kennis door bezoekers wordt gecreëerd. Maar: in hoeverre kunnen bezoekers echt invloed hebben op die plek, op programmering, beleid en ruimte? Wie mag die indruk maken, en wie niet? Ik zie dat mensen worden uitgenodigd om mee te doen in de bibliotheek, met debatten en programmering, maar ook dat het soms arbitrair is wat wel en niet kan en wie wel en niet wordt gehoord. Sommige geluiden passen ‘makkelijker’ bij wat een bibliotheek gewend is. En zodra het schuurt – of als het controversieel is – ontstaat de neiging om het buiten de deur te houden. Terwijl de samenleving verhardt. Kijk naar hoe normaal het is geworden dat Donald Trump extreem taalgebruik inzet; de geest is uit de fles. Dan is ‘doen alsof het er niet is’ niet reëel. Maar wat doe je daarmee in de bibliotheek, en hoe doe je dat?”
“De inzichten uit mijn onderzoek ga ik regelmatig delen binnen Probiblio. Voor SPN pas ik mijn inzichten deels toe door het kennisfestival burgerschap voor ze te organiseren. Met de KB ontwikkel ik (publieks)programmering op basis van mijn onderzoek, en zodra er genoeg te delen is verzorg ik graag een sessie op het Nationaal Bibliotheekcongres. De artikelen die hieruit voortkomen deel ik uiteraard ook, dat duurt nog even,en ik denk alvast na over hoe ik die kennis dan toegankelijk en praktisch bruikbaar maak voor bibliotheken.”
Dus: de bibliotheek moet juist ruimte maken voor frictie?
Noor: “Ja. En natuurlijk zijn er grenzen. Maar als er in je gemeenschap ideeën leven – ook ongemakkelijke – dan moet je er iets mee. Anders vervreemd je jezelf van een deel van je publiek, en word je een plek voor ‘toch vooral dezelfde mensen’. Die mensen trekken weer veelal dezelfde mensen aan, en zo wordt de bibliotheek steeds minder meerstemmig.”
Jamea: “En intern speelt ook iets: als medewerkers zich verheffen boven het publiek (‘ik weet hoe het hoort’), is dat een gevaarlijke positie. Dan straal je uit: dit is een plek voor ‘de betere mensen’ – terwijl het publiek geld is en je zegt: we zijn er voor iedereen.”
Noor: “En als je er vervolgens in de praktijk niet voor iedereen bent, maar alleen voor een selecte groep wiens gedachtegoed bij de bibliotheek past, voelt het publiek dat.”
Jullie zeggen allebei iets spannends: is ‘iedereen welkom’ eigenlijk wel waar?
Jamea: “De deuren staan open, dus in die zin kan iedereen binnenkomen. Maar toegang is niet hetzelfde als acceptatie of je welkom voelen. En dan is er de vraag: hoe verwelkom je ook de mensen die niet komen? Daarvoor is cultuurverandering nodig en dat gaat niet 1-2-3.”
Noor: “Als je ‘we zijn er voor iedereen’ wilt volhouden, dan moet je ook die volgende stap zetten: echt werken aan meerstemmigheid. Niet alleen dialoogavonden met mensen die hetzelfde denken. Juist dát onderscheidt een bibliotheek van een podium of debatcentrum: de publieke opdracht om meerstemmige ontmoeting en debat, of dialoog, waar te maken.”
Jamea, wat is de vervolgstap van dit onderzoek?
Jamea: “Ik ben op dit moment bezig met de inhoudelijke hoofdstukken van mijn proefschrift, die vooral gaan over de Rotterdamse en Nederlandse context. Het eerste hoofdstuk wordt hopelijk binnenkort gepubliceerd en gaat over het concept ‘third place’ en hoe dit in de praktijk gerealiseerd wordt en hoe niet. Het andere hoofdstuk waar we nu mee bezig zijn gaat over de institutionele ondersteuning en het bibliotheekbeleid, waarbij we de focus leggen op het idee van neutraliteit. Daarna gaan we nog schrijven over de lokale betrokkenheid van bibliotheken en hoop ik eind 2026 klaar te zijn.”
5 tips om met de resultaten en aanbevelingen uit het ILIT-onderzoek aan de slag te gaan:
- Sociale infrastructuur vraagt interne samenwerking: voorkom eilandjes; maak kennisdeling tussen teams makkelijker.
- Impact is meer dan KPI’s: verhalen en praktijkvoorbeelden laten waarde zien waar cijfers tekortschieten.
- Projectgeld slurpt tijd: structurele financiering scheelt energie en maakt continuïteit mogelijk.
- ‘Iedereen welkom’ = meer dan open deuren: toegang versus je welkom voelen; wees alert op wie níet komt.
- Aandacht voor vaardigheden van frontoffice medewerkers: zij zijn de schakel op de bibliotheekvloer: ze onderhouden de sociale infrastructuur, verbinden en begrenzen.