Digi-Taalhuis Bibliotheek aan den IJssel: Bouw aan een sterk lokaal netwerk

Interview Praktijkvoorbeeld Basisvaardigheden
Gepubliceerd op 07 augustus 2026

Door Aleksandra Pavlović

In samenwerking met Bibliotheek aan den IJssel

Een sterk lokaal netwerk is essentieel om inwoners te ondersteunen bij het ontwikkelen van basisvaardigheden. Het DigiTaalhuis van de Bibliotheek aan den IJssel stimuleert, faciliteert en ondersteunt de persoonlijke ontwikkeling van de inwoners van Capelle en Krimpen aan den IJsselSamen met partners zoals de gemeenten, welzijnsorganisaties en zelfs de kerk werkt het DigiTaalhuis aan toegankelijk en effectief aanbod. Ik spreek met dr. Sergei Khomenko, coördinator Digi-Taalhuis bij de Bibliotheek aan den IJssel, over het belang van samenwerking, de praktijk en de ambities voor de toekomst. 

In de praktijk krijgt de samenwerking bij de Bibliotheek aan den IJssel vorm door regelmatige afstemming, warme doorverwijzing en gezamenlijke activiteiten. En dat in een regio waar de behoefte groot is: in Krimpen beschikt 35% van de inwoners over beperkte basisvaardigheden. Dit is hoger dan het landelijke gemiddelde van 22%.  

Voor deelnemers van het Digi-Taalhuis heeft deze aanpak grote impact. Door het sterke netwerk worden zij sneller bereikt en beter begeleid naar passend (digi)taalaanbod. Dit leidt niet alleen tot betere basisvaardigheden, maar ook tot meer zelfvertrouwen en maatschappelijke participatie.  

Met welke organisaties werkt het Digi-Taalhuis samen in Capelle- en Krimpen aan den IJssel?

Het DigiTaalhuis is opgezet als een initiatief van Bibliotheek aan den IJssel en dat doen we samen met de gemeenten in de IJsselgemeentenregioCapelle aan den IJssel en Krimpen aan den IJssel). De bibliotheek vervult de coördinerende rol en is de herkenbare fysieke plek waar het DigiTaalhuisprogramma wordt uitgevoerd. Het Digi-Taalhuis organiseert de toeleiding en de verwijzing vanuit het sociaal domein.  

In Capelle aan den IJssel werkt het DigiTaalhuis samen met Bibliotheek aan den IJssel, de gemeente Capelle aan den IJssel, Stichting Taalcoaching, Welzijn Capelle en verschillende onderwijs en taalpartners.  

In Krimpen aan den IJssel is het DigiTaalhuis ook verbonden aan Bibliotheek aan den IJssel en werkt het samen met gemeente Krimpen, lokale welzijns en taalvrijwilligersnetwerken en partners rond laaggeletterdheid. Deze organisaties bundelen hun kracht rond het herkennen van laaggeletterdheid, het doorverwijzen naar passend aanbod en het organiseren van activiteiten zoals taalspreekuren, taalwandelingen, leesclubs voor anderstaligen en Nederlandse taallessen. 

De gemeenten spelen overal een belangrijke rol in het mogelijk maken en ondersteunen van initiatieven. Hoe kijken jullie gemeenten naar deze samenwerking?

In Capelle en Krimpen spelen de gemeenten een heel belangrijke rol in het mogelijk maken en ondersteunen van het DigiTaalhuis. Zij zien taal, basisvaardigheden en digitale inclusie als een kernonderdeel van hun sociale beleid en participatieagenda.
Tegelijkertijd kan ik natuurlijk niet namens de gemeente spreken, maar ik merk in de praktijk dat zij dit onderwerp ontzettend belangrijk vinden. Dat zie je bijvoorbeeld aan dat ze het DigiTaalhuis structureel ondersteunen, het koppelen aan hun beleid rond laaggeletterdheid en minima, en het steeds weer noemen als één van de voorzieningen waarmee inwoners worden geholpen bij meedoen in de samenleving. 

In de samenwerking ervaren wij de gemeente vooral als een partner die ons de ruimte geeft om met de bibliotheek en andere organisaties een goed netwerk voor taal en digitale vaardigheden neer te zetten, en die ervoor zorgt dat het DigiTaalhuis stevig is ingebed in het lokale sociale domein.” 

Hoe dragen welzijnsorganisaties bij aan het bereiken en ondersteunen van deelnemers?

In Capelle en Krimpen spelen welzijnsorganisaties een grote rol in het bereiken en ondersteunen van onze deelnemers. Ze zijn aanwezig in de Huizen van de Wijk (ontmoetingsplekken voor buurtbewoners), buurtcentra en ontmoetingsactiviteiten, en zien daar heel goed welke inwoners moeite hebben met taal of digitale vaardigheden. Via hun buurtcoaches en spreekuren verwijzen zij mensen actief door naar het DigiTaalhuis en het DigiTaalpunt.
In Capelle werkt het DigiTaalhuis bijvoorbeeld samen met Welzijn Capelle. Hun medewerkers en vrijwilligers kennen de bewoners, helpen bij vragen rond geld, gezondheid of eenzaamheid, en als ze merken dat taal een drempel is, leggen ze de link naar ons. Daardoor bereiken wij mensen die niet vanzelf naar de bibliotheek komen.  

In Krimpen gebeurt iets vergelijkbaars via lokale welzijns en ontmoetingsactiviteiten, zoals bij CrimpenInn en andere voorzieningen. Daar komen mensen voor koffie, contact of ondersteuning, en van daaruit worden ze gewezen naar het DigiTaalhuis of taalcafés in de bibliotheek. Zo versterken welzijnsorganisaties ons bereik én zorgen ze dat deelnemers zich gesteund voelen bij hun volgende stap. 

In Capelle en Krimpen zijn welzijnsorganisaties onze ogen en oren in de wijk: zij zien wie taal nodig heeft, verwijzen mensen door naar het DigiTaalhuis en blijven als vertrouwde steun in beeld terwijl deelnemers bij ons aan de slag gaan. 

Ook de kerk blijkt een waardevolle partner te zijn. Kun je hier iets meer over vertellen?

In Krimpen werken we heel concreet samen met kerken en interkerkelijke initiatieven, zoals CrimpenInn en taallessen in een kerk via KrimpenWijzer. Dat laat zien hoe sterk kerkelijke netwerken kunnen zijn voor het bereiken van mensen met taalvragen.  

In Capelle ben ik op dit moment nog echt op zoek naar vergelijkbare samenwerking met kerken. We hebben in Capelle een rijk landschap aan kerken en ook een interkerkelijk platform, maar voor het DigiTaalhuis is die verbinding nog in ontwikkeling. Mijn ambitie is om daar de komende tijd stappen in te zetten: verkennen welke kerkgemeenschappen openstaan voor gezamenlijke taal en ontmoetingsactiviteiten, en kijken hoe we via predikanten, diakenen en vrijwilligers inwoners kunnen bereiken voor wie de kerk nu de belangrijkste veilige plek is. 
De ervaringen in Krimpen laten zien dat taallessen en inloopactiviteiten in of rond de kerk goed werken voor bepaalde doelgroepen. Als we die lijn ook in Capelle kunnen opbouwen, wordt ons taalnetwerk inclusiever en bereiken we nog beter mensen die anders moeilijk in beeld komen. 

Hoe stem je de activiteiten af op de behoefte van de inwoners?

In Capelle en Krimpen richt ik me vooral op volwassen inwoners die moeite hebben met lezen, schrijven, spreken in het Nederlands of met digitale vaardigheden. Dat zijn zowel anderstalige inwoners die Nederlands als tweede taal leren, als Nederlandstaligen die laaggeletterd zijn of onzeker zijn over hun basisvaardigheden. Het gaat om heel verschillende mensen: deelnemers van NT2klassen, mensen die via welzijn of kerken binnenkomen, bezoekers van het DigiTaalpunt, maar ook senioren die met hun telefoon of computer worstelen.  

We stemmen onze activiteiten zo goed mogelijk af op wat inwoners zelf nodig hebben. Dat begint bij de laagdrempelige spreekuren van het DigiTaalpunt: mensen kunnen binnenlopen zonder afspraak, vertellen hun verhaal, en samen kijken we welke activiteit, cursus of leesgroep past bij hun niveau, tempo en vraag. 

Wat zie je als de grootste uitdagingen in het opbouwen van het netwerk?

In Capelle en Krimpen zie ik een paar grote uitdagingen bij het opbouwen van het netwerk rond het DigiTaalhuis. De eerste is complexiteit: er zijn veel organisaties betrokken en iedereen heeft eigen doelen, taalprogramma’s en prioriteiten. Het kost tijd om elkaar goed te leren kennen, rolverdeling helder te krijgen en ervoor te zorgen dat we echt als één netwerk richting inwoners optreden. 

Een tweede uitdaging is zichtbaarheid en vindbaarheid. Voor professionals is het DigiTaalhuis inmiddels een bekende partner, maar voor inwoners is het soms nog een abstract begrip. Zeker bij mensen met lage taal en digitale vaardigheden moet je herhaaldelijk en op verschillende plekken laten zien dat er een laagdrempelige plek is waar ze terecht kunnen. Daar spelen welzijnsorganisaties, kerken, scholen en zorgpartijen een belangrijke rol in, maar die lijnen moeten we steeds blijven onderhouden. 

Hoe wordt het lokale netwerk verder versterken in de komende jaren?

In de komende jaren zie ik vooral groei in de verbinding met andere grote thema’s uit het lokale beleid, zoals armoede en schulden, werk en participatie, gezondheid en digitale inclusie. In levens van inwoners lopen die onderwerpen door elkaar: iemand met schulden heeft vaak ook taalvragen, iemand die werk zoekt heeft basisvaardigheden nodig, en wie moeite heeft met formulieren ervaart stress. Ons netwerk wil daarom nauwer aansluiten bij de teams en projecten die met deze thema’s bezig zijn. 

Dat betekent concreet dat we nieuwe samenwerkingen aan het verkennen zijn, bijvoorbeeld met schuldhulpverlening en jobcoachesWe willen dat professionals in al die domeinen het DigiTaalhuis vanzelfsprekend meenemen in hun doorverwijzing, zodat taal en basisvaardigheden niet los naast armoede, werk en gezondheid staan, maar onderdeel zijn van één integraal verhaal. 

Wat zou je andere DigiTaalhuizen adviseren over samenwerking met lokale partners?

De kernboodschap kan heel krachtig zijn: lokale samenwerking is dé voorwaarde om ook NT1’ers te bereiken. En klagen helpt niet, creatief samenwerken wel. 

Voor mij is de belangrijkste boodschap: je kunt laaggeletterdheid en basisvaardigheden niet vanuit één organisatie oplossen. Je hebt het lokale netwerk nodig om samen zichtbaar te zijn, samen te verwijzen en samen een herkenbare route voor inwoners te bouwen. Taalhuizen zijn juist bedoeld als samenwerkingsverband van lokale organisaties, met een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het bereiken en ondersteunen van mensen met lage basisvaardigheden. 

Dat geldt zeker voor NT1’ers. Veel mensen met Nederlands als eerste taal komen niet vanzelf bij een Taalhuis binnen; zij zitten bij werkgevers, schuldhulp, zorg, kerken, sportclubs. Als je daar niet samen optrekt, mis je hen. Daarom is lokale samenwerking geen “extraatje”, maar een randvoorwaarde om überhaupt de juiste doelgroep in beeld te krijgen. 

Veel activiteiten en materialen rondom taal en gecijferdheid ontwikkelen jullie zelf. Sta je ervoor open om vragen te beantwoorden van andere bibliotheken?

Ja, absoluut. Veel van onze activiteiten en materialen rond taal en gecijferdheid ontwikkelen we zelf, juist omdat we willen aansluiten bij de praktijk en beleving van onze deelnemers. Een voorbeeld is onze kerstactiviteit met gestipte borden en lijsten: deelnemers versieren volgens een schema, wat ongemerkt veel tellen, meten, vergelijken en taal gebruiken vraagt.
Ik sta er heel erg voor open om daar vragen over te beantwoorden en onze kennis en ervaringen te delen met collega’s van andere bibliotheken.  

Naast je reguliere werkzaamheden ben je betrokken bij internationale uitwisselingen, waardoor je naar Bratislava en Paramaribo bent gereisd. Wat neem je mee uit die ervaringen?

“De uitwisselingen naar Bratislava en Paramaribo hebben voor mij bevestigd dat we in Capelle en Krimpen echt als expertisepunt worden gezien: niet alleen omdat we een visie hebben, maar omdat we laten zien hoe je die visie vertaalt naar activiteiten.
In Suriname is de taalsituatie heel complex: er zijn veel talen, verschillende achtergronden en grote verschillen in onderwijs en taalniveau. Dat raakte mij, omdat we in Nederland óók Surinamers begeleiden met diverse taalachtergronden. Daarom vond ik het belangrijk om in Bratislava en Paramaribo onze aanpak, ontwikkelingen en ideeën te delen hoe wij omgaan met meertaligheid, makkelijke taal, leesgroepen en samenwerking met lokale partners.”

Heb je vragen aan Sergio? Neem contact op via s.khomenko@bibliotheekaandenijssel.nl.