Wouter van Balveren van OBGZ over minibiebs: “We hebben eigenlijk 350 vestigingen”

Interview Programmering
Gepubliceerd op 07 september 2026

Door Lotte Kok

In Nijmegen staan honderden minibiebs in de stad. De bibliotheek besloot niet te concurreren met deze kleine boekenkastjes die iedereen wel uit het straatbeeld herkent, maar juist te kijken wat ze voor elkaar kunnen betekenen. Wouter van Balveren, innovatiemanager bij OBGZ (Nijmegen en omstreken) vertelt hoe de samenwerking met de minibiebeigenaren ontstond, wat het oplevert en hoe je een samenwerking opzet.

Kun je kort vertellen wat jullie met de minibiebs doen?

“Minibiebs zijn natuurlijk al heel lang overal te vinden. Wij zagen ze ook om ons heen. Je kunt daar op twee manieren naar kijken. Je kunt het zien als een bedreiging en denken: dat is niet wat wij als bibliotheek zijn. Wij hebben een actuele, zorgvuldig samengestelde collectie. Wat heb je dan aan zo’n minibieb?

Maar je kunt het ook anders bekijken. Het zijn enthousiaste mensen die van lezen houden en het leuk vinden om boeken en verhalen met anderen te delen. In die zin zijn het eigenlijk ambassadeurs van leesplezier, net als wij. Daarnaast past het goed bij onze missie: wij staan voor leesplezier, verhalen en toegang tot boeken voor iedereen. Daar sluiten de minibiebs perfect op aan.’

We zijn de minibiebs steeds meer gaan zien als een soort opstap naar de bibliotheek. Wij proberen natuurlijk met onze vestigingen in allerlei wijken zichtbaar te zijn. Maar minibiebs zitten echt in de haarvaten van de samenleving. Die staan gewoon in woonwijken, soms bijna in iedere straat. Voor sommige mensen is zo’n minibieb misschien het eerste contact met lezen, boeken en verhalen. Dan kan het ook een soort voorpost van de bibliotheek zijn.”

Jullie zijn vervolgens ook echt de minibiebeigenaren gaan opzoeken. Hoe hebben jullie dat aangepakt?

“We hadden wel een kaart van minibieb.nl, maar die bleek niet helemaal actueel. We hadden ook gegevens uit het onderzoek van de student. Uiteindelijk bleek het nog het meest effectief om met een aantal collega’s zelf een rondje te maken. Gewoon, op de fiets.

We wilden vooral niet voor de minibiebeigenaren bedenken wat ze nodig hadden. We deden een briefje in de bus met de vraag of ze mee wilden doen aan een enquête. Dat kon online, maar ook op papier. We wilden het zo laagdrempelig mogelijk houden.

Een van de laatste vragen was of mensen het leuk zouden vinden om mee te denken in een klein groepje. Daar kwamen uiteindelijk acht minibiebeigenaren uit. Dat was ontzettend leuk. Zij kenden elkaar ook niet en gingen meteen ervaringen uitwisselen. Hoe vaak maak jij je kastje schoon? Wat doe je als iemand er zes Bijbels in legt? Gooi je flyers weg of heb je daar een apart plankje voor? Iemand had alleen kinderboeken in haar minibieb en had het kastje daarom extra laag bij de grond gezet. Dat soort gesprekken krijg je alleen als je echt met mensen om tafel gaat.”

Wat kwam er uit die gesprekken naar voren?

“Eigenlijk was er behoefte aan drie dingen: 1. collectie, 2. fysieke ondersteuning en 3. inspiratie en ontmoeting.

Sommige mensen hadden bijvoorbeeld een minibieb die gewoon aan vervanging toe was. Ze wisten niet goed hoe ze een nieuwe konden maken of waar ze dat konden laten doen. Toen zijn we op zoek gegaan naar een sociale werkplaats in Nijmegen. Die heeft uiteindelijk veertig van die huisjes voor ons gemaakt.

Daarnaast liepen mensen tegen hun collectie aan. In het begin zetten ze hun eigen oude boeken in de minibieb, maar op een gegeven moment is de voorraad op. Toen ontstond de vraag: hoe kom ik aan leuke nieuwe boeken of kinderboeken? Daar zijn we boekenmarkten voor gaan organiseren. We schrijven als bibliotheek natuurlijk boeken af, maar een deel daarvan is nog prima om te lezen. Die kunnen naar de minibiebs. We geven geen vieze of kapotte boeken weg. Het is niet de bedoeling dat minibiebs een plek worden voor onze afdankertjes.

En er was behoefte aan ontmoeting. Minibiebeigenaren kennen elkaar vaak helemaal niet, terwijl ze best veel gemeen hebben. Daarom organiseren we nu een paar keer per jaar een avond voor minibiebeigenaren, met bijvoorbeeld een auteur, een lezing of een workshop. Dat kan heel divers zijn. Het belangrijkste is dat er ook een community ontstaat. Zo kunnen mensen met elkaar ideeën uitwisselen, elkaar helpen en versterken. Een community is iets van de mensen zelf, niet meer van de openbare bibliotheek. Wij proberen een dienstbare rol aan te nemen, in plaats van alles voor mensen uit handen te nemen. Het project wordt anders ook te groot voor ons.”

Is er een bepaald type persoon dat zo’n minibieb heeft?

“Het zijn heel verschillende mensen. Sommigen zoeken juist contact, anderen vinden het prima om alleen boeken te delen. Wat hen verbindt is hun liefde voor boeken en verhalen.”

Welke rol speelt de bibliotheek daarin? En wat juist niet?

“We proberen vooral te ondersteunen en te faciliteren. We gaan niet zelf ergens een minibieb neerzetten omdat wij vinden dat daar een minibieb moet komen. Dat moet vanuit de community komen. Mensen moeten het zelf willen.

We willen ook niet alles overnemen. We kijken naar waar wij als openbare bibliotheek iets kunnen toevoegen. Dat kan collectie zijn, maar ook praktische ondersteuning of ontmoeting.

We hebben bijvoorbeeld stickers op de boeken gezet die we aan minibiebs meegeven. Daarop staat dat het om een afgeschreven of geschonken boek van ons gaat. Dat is praktisch, want anders kan zo’n boek uiteindelijk weer bij ons worden ingeleverd. Maar het maakt ook duidelijk dat het geen regulier bibliotheekboek meer is.”

Wat zou je andere bibliotheken aanraden die hiermee aan de slag willen?

“Mijn belangrijkste advies is: ga met de mensen praten. Ga niet voor hen bedenken wat ze nodig hebben. Misschien komt er bij jou wel precies hetzelfde uit als bij ons, maar de waarde zit ook in het gesprek zelf. Daarmee bouw je een community. En benader mensen vooral positief. Presenteer jezelf niet als ‘de echte bibliotheek’, maar deel hoe leuk je het vindt dat de minibiebs er zijn. Dat is een veel leukere boodschap om in je brievenbus te krijgen.

Mijn tweede advies is om intern de tijd te nemen voor de zorgen die er zijn. Die zorgen zijn vaak legitiem. Je moet ze serieus nemen en kijken of je er oplossingen voor kunt vinden.

En misschien moet je soms ook gewoon even over die drempel heen. Bij een buurtgerichte aanpak moet je naar buiten, de wijk in, met mensen praten. Dat vinden bibliotheekmedewerkers soms spannend. Maar uiteindelijk moet je het soms gewoon doen. Zo eng is het niet.”

Wat is voor jou uiteindelijk de grootste opbrengst van deze aanpak?

“Dat je beseft hoeveel er al in de samenleving aanwezig is. We hebben nu een netwerk van minibiebs door de hele stad en de omliggende gemeenten. Je zou bijna kunnen zeggen: we hebben niet 28 vestigingen, maar 350.

Natuurlijk zijn die minibiebs niet van ons. Maar samen met al die minibiebeigenaren hebben we wel een heel mooi netwerk van boeken en leesplezier in de haarvaten van de samenleving. En dat vind ik eigenlijk een mooie manier om naar je bibliotheek te kijken.”